zaterdag 14 maart 2015

Rechtsgeschiedenis: vragen en antwoorden

Hoe heeft het leerstuk van de restitutio zich ontwikkeld?
Het citaat van Thomas Aquinas inzake de restitutieleer is niet origineel. De oorsprong ligt bij Aristoteles. Laatstgenoemde maakte al een indeling in de iustitia distributiva en de iustitia commutativa. Zoek de Ethica Nicomachea op om de overeenkomsten te ontdekken.

De Dominicaan Thomas Aquinas citeert Augustinus (354 n.C.), die op zijn beurt Aristoteles aanhaalt. Het leerstuk bereikt achtereenvolgens Dominicus Soto en Hugo Grotius.

Wanneer werd de praetor in zijn bevoegdheden beperkt?
Het edictum perpetuum werd in opdracht van Hadrianus uitgevaardigd, door de jurist Iulianus. Het edictum perpetuum is pas in de negentiende eeuw door Lenel uitvoerig geconstrueerd.

Merk op dat er een verschil is met het edictum perpetuum, gevestigd middels de lex Cornelia. Door de lex Cornelia was het gebruikelijk dat de praetor voor de duur van zijn ambt (annueel!) wijzigingen in zijn edict aanbracht op het album- een schutting. Het edictum perpetuum van Hadrianus bond de praetor in praktijk aan een ambt met zeer beperkte bevoegdheden.

Wat houdt het corporele element van damnum iniuria datum in?
In de vroegklassieke periode was het corporele element een vereiste; dit element bepaalde het causale verband tussen het handelen van een dader en de geleden schade. De actio legis Aquiliae kon worden toegepast in het geval van damnum corpore corpori datum (natuurlijk zijn er nog andere vereisten, waarover later meer).

De naamvallen verklaren alles: corpore corpori betekent `met een lichaam, aan een lichaam´; lees de zinsnede `corpore suo damnum dederit´ in de Instituten van Justinianus. Corpori is de vervoeging van `in corpus´.  Staat er slechts `corpore´, dan is er schade (toegebracht) met betrekking tot een lichaam.

Kunnen de condictio furtiva en reivindicatio gezamenlijk worden ingesteld?
Beide acties zijn reipersecutoir: ze zijn gericht op het terugvorderen van (de waarde van) een zaak. De reivindicatio is in het moderne recht te vinden onder 5:2 BW. Kenmerk van de genoemde reipersecutoire acties is dat zij electief concurrent zijn: ze zijn niet naast elkaar in te stellen.

Om het onderscheid tussen de diverse acties te verhelderen: een zuiver poenale actie cumuleert met andere acties. Alleen de actio furti is strikt poenaal en daarom cumulatief concurrent. Naast de actio furti kan de condictio furtiva óf de reivindicatio worden ingesteld.

De actio legis Aquiliae is zowel poenaal als reipersecutoir. Deze gemengde actie cumuleert niet met een andere actie.

Welke contracten bestonden er in de klassieke Romeinse tijd?
De contracten zijn in te delen in vier groepen, te weten: Re, verbis, litteris en consensu.
Re: overgifte van een zaak; bruikleen en verbruikleen, verpanding;
Verbis: vormelijke woorden. Stipulatio;
Litteris: schriftelijke totstandkoming;
Consensuele contracten: wilsovereenstemming. Emptio en venditio, locatio en conductio, mandatum.

Wat is het belang van de jurist Labeo?
Labeo (Marcus Antistius)  heeft het bedrag van een door de dader, aan de gelaedeerde te betalen boete, verruimd tot de concreet geleden schade. Let op! Lees Digesten 9,2, Ad legem Aquiliam, 23 (Ulpianus libro octavo decimo ad edictum), 4: hier wordt niet de marktconforme waarde, maar de door de gelaedeerde gestelde waarde toegekend:  `quanti mea intererat fraudes servi per eum commissas detegi, non quanti noxa euis servi valeat.´  Het betreft hier een typisch geval van een frauduleuze slaaf.

Merk op dat het Romeins recht, zo bewijst geciteerd fragment, sterk casuïstisch van aard is. Diverse mogelijke casus zijn vastgelegd in geschriften van gezaghebbende juristen als Ulpianus, Papianus, Labeo, Sabinus en `noster´ Gaius.

In het kort: begrippen
Actio in factum: door de actio legis Aquiliae geïnspireerde actie. Vindt toepassing (uiteraard door de praetor) bij problemen met causaliteit.
Casus: toeval/ ongeluk. Lex Aquilia is niet van toepassing. Let wel: als het gaat om een ongeluk, veroorzaakt door verwijtbaar handelen, dus gaat het niet om casus, dan wordt er wel een actie toegepast.
Actio de deiectis vel effusis: van belang voor de ontwikkeling van de risico-aansprakelijkheid. Lees Instituten 4,5,1.
Noxae deditio: een vader is aansprakelijk voor zijn zoon, een eigenaar is aansprakelijk voor de acties van zijn slaaf. In het kader van de aansprakelijkheid kan de vader resp. eigenaar zijn zoon of slaaf uitleveren, om een boete te ontlopen.

Wat houdt de Lex Aquilia in?
Naar alle waarschijnlijkheid is deze plebisciet -uitgevaardigd door het concilium plebis- ingevoerd tijdens de derde secessio plebis (staking). De lex Hortensia was reeds van kracht; de Lex Aquilia werd daarmee een ieder verbindend.

Hoofdstuk I ziet op het doden van een stuk viervoetig vee (quadrupes) of een slaaf (servus). De boete respectievelijk schadeloosstelling bedraagt de hoogste waarde van de zaak (een slaaf is een zaak) in het voorbije jaar.

Hoofdstuk III ziet op het breken, branden of vernielen (frangere, urere, rumpere) van vee of een slaaf. Pas later zouden andere zaken onder het derde hoofdstuk van de Lex Aquilia worden geschaard. De schadeloosstelling bedraagt de hoogste waarde in de nabije dertig dagen- de exacte waardebepaling is omstreden. Het is niet duidelijk of het om de hoogste waarde in de voorafgaande, of volgende dertig dagen gaat.

Het lijkt vanzelfsprekend om uit te gaan van de hoogste waarde in de voorafgaande dertig dagen. Voor een goed begrip kan echter de vergelijking getrokken worden met de schade die is toegebracht aan een vrij man. Het lichaam van een vrij man kan niet op geld gewaardeerd worden. Evenmin is in de klassiek Romeinse periode een schadeloosstelling voor `ontciering van ´t lichaem´ (aldus Grotius) denkbaar. Een échte actio legis Aquiliae is, kortom, niet van toepassing op de vrije persoon.

Wel is de Ulpianus-tabel in gebruik geweest om het legaat van lijfrente te bepalen. Zo kon, naar analogie, de waarde van een vrije persoon geschat worden op basis van factoren als resterende levensjaren en gederfde inkomsten. Het is niet onwaarschijnlijk dat in hoofdstuk III van de Lex Aquilia eveneens werd gezinspeeld op de geschatte hoogste waarde van een zaak in de volgende dertig dagen. Van belang is het om goed te kijken naar de bron: in de voorklassieke periode en late oudheid werd de hoogte van de boete of schadeloosstelling anders bepaald.

Romeinsrechtelijke geschiedenis, I

Rechtshistorie
Een belangrijke bron die de geschiedenis van het Romeinse recht uit de klassieke tijd omschrijft, is Enchiridion, een boek afkomstig van Pomponius, 150 n.C. Het boek werd al in de oudheid als een klassieker beschouwd. Om de eenvoudige en heldere chronologie van de inleiding tot de Romeinsrechtelijke geschiedenis te volgen:

Koningstijd
- De Koningstijd begon in 753 v.C. en eindigde in 510 v.C. De rex stond aan het hoofd van de stad Rome. Hij werd gekozen door een vergadering van het gehele volk; de zogeheten comicia. Erfelijke troonopvolging was geen gebruik. Het spreekt voor zich dat de comicia enkel uit vrije- welgestelde- burgers bestond;
- Aan de rex kwam wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht toe, het soevereine gezag: imperium;
- De rex kon uit hoofde van zijn imperium eenzijdig verbindende edicta uitvaardigen;
- Tot een lex werd door de comicia op voorstel van de rex besloten. Tussen geschreven en ongeschreven recht werd in de vroegklassieke periode geen onderscheid gemaakt. Immers, wat formeel was besloten en in de comicia door het volk werd aangenomen, had zonder meer gelding;
- Zonder de tussenkomst van een soeverein bestond er ook recht. Het in de samenleving heersende recht werd aangeduid als ius. Later zou het ius als juristenrecht worden getypeerd. Het ius laat zich in het heden het best omschrijven als het `allesomvattende´ recht, waar de formele wet, lex, onderdeel van uitmaakt;
- Een lex kon langdurig worden verankerd in het recht, in tegenstelling tot het edict. De edicta van de koning waren slechts van toepassing zolang de ambtstermijn strekte;
- De senatus had slechts een adviserende taak.

Republiek
- De koningstijd eindigde met de verdrijving van Superbus uit Rome;
- In 510 v.C. werd de gekozen koning vervangen door twee consuls met een ambtstermijn van één jaar;
- De plebejers kwamen daarmee onder de senaat te staan;
- Aan de plebejers was reeds in de vijfde eeuw v.C. het vetorecht toegekend, te gebruiken bij alle besluiten van het patriciaat. Echter, ging het hier in enge zin om besluiten die slechts voor de plebejers als verbindend golden;
- De plebs organiseerden een eigen staatsvorm met aan het hoofd de tribuni plebis;
- In 286 v.C. zou de lex Hortensia algemeen verbindende werking toekennen aan de plebiscita- de door het consilium plebis uitgevaardigde besluiten, die vanaf dan gelijk werden gesteld aan de lex.

vrijdag 27 februari 2015

Begrippenlijst rechtsgeschiedenis, I

Voor het lezen van de lex Aquilia, de Digesten en andere Romeinse rechtsbronnen, loont het om het Latijn te beheersen. Teksten kunnen beter in hun context worden geplaatst, wanneer zij in hun oorspronkelijke taal worden gelezen én begrepen. Het Latijn is eenvoudig te leren. Er valt altijd te relateren aan (de kennis van) andere talen uit dezelfde taalfamilie. Uiteraard hebben ook de Angelsaksische talen overeenkomsten met het Latijn.

De rechtsgeschiedenis omvat meer dan slechts het recht van de Romeinen. Hier volgt een lijst met eenvoudige begrippen en namen van sleutelfiguren uit de (rechts)geschiedenis:

Accursius
Actio furti
Actio in factum
Actio legis Aquiliae
Actio legis Aquiliae utilis
Actio stricti iuris
Actiones bonae fidei
Aedilis
Aequitas canonica
Animus furandi
Auctoritas
Augustus/ Octavianus
Axiomatisch-deductief systeem
Aytta
Azo
Bartolus
Bolognese school
Canonisten
Causa
Censor
Certum
Codex Gregorianus
Codex Hermogenianus
Codex Justinianus
Cognitio et applicatio
Cognitio extraordinaria
Collegium pontificum 
Communis opinio doctorum
Concordantia discordantium canonum
Condictio (ex causa furtiva)
Conring
Consilium plebis
Constitutio Antoniniana
Constitutiones princips
Consul
Contrectatio fraudulosa
Corpus Iuris Civilis
Corpus Iuris Canonici
Cuius regio illius et religio
Culpa: lata et levis
Custodia
Damnum Iniuria datum
Decretalen
Decretisten
Decretum Gratiani
Denegatio actionis
Deo auctore
Digesten
Digestum vetus, Infortiatum et Digestum novum
Diocee
Distinctiones
Dolus
Donellus/ Doneau
Edicta
Edictum perpetuum
Epistulae
Epitomae
Exceptiones
Exegetisch-dogmatische leer
Fideicommissa
Flavius
Formula-proces
Formulae
Frans I
Franse school
Furtum
Gaius
Glossa
Glossa ordinaria
Graeca Leguntur
Grotius
Historische School
Hollandse Elegante School
Hortensische wetten
Hortensius
Imperio rationis
Imperium maius
Iniuria
Instituten van Gaius
Instituten van Justinianus
Interpolazionen
Irnerius
Ius
Ius cogens
Ius edicendi
Ius hodiernum
Ius praetorium
Ius publice respondendi
Jurisprudentia cerebrina
Justinianus
Labeo
Langobardisch recht
Leges
Leges Liciniae Sextiae
Legis actio-proces
Lex XII tabularum
Lex Aebutia
Lex Aquilia
Lex citandi
Lex Romana Visigothorum
Libelli
Liber Extra
Liber Papiensis
Liber Sextus
Libri feudorum
Litis contestatio
Littera bononiensis
Littera Florentina
Mancipatio et traditio
Mos gallicus
Mos italicus
Noxae deditio
Omnem
Palingenesia
Pandectae ( πανδέκτης )
Papianus
Pepo
Plebiscitum
Poliziano 
Postglossatoren
Praetor urbanus et peregrinus
Praesides provinciae
Proculiaanse school
Procuratura a libellis
Princeps
Princeps legibus solutus
Prudentia
Quaestiones
Quaestor
Ratio iuris
Ratio scripta
Reivindicatio
Resciptum
Responsa
Restitutio
Rigor
Savigny
Scaevola
Senatus consultum
Statutum debet interpretari secundum ius commune
Subscriptio
Subtilitas
Summa
Theodosius II
Thomasius
Topoi
Translatio imperii
Tribunicia potestas
Tripartita divisio: personae, res et actiones > Gaius' Institutiones 
Oliver W. Holmes
Ulpianus
Usus modernus
Verboden: sigla, cijfers en commentarii
Vis maior

woensdag 25 februari 2015

Canoniek recht

Voor de recente versie van de Codex Iuris Canonici (voor het eerst gepubliceerd in 1918, update uit 1983), zie:

Codex Iuris Canonici

Zoals u ziet, omschrijft Boek VI de sancties die kunnen worden opgelegd door de kerkelijke rechtbank. Vergelijk zowel de rechtsbron als de competentie van de kerkelijke rechtbank van het heden, met de Inquisitie uit de middeleeuwen en vroegmoderne tijd.

De canones zijn voornamelijk van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van de privaatrechtelijke rechtsfiguren koop, stipulatie, huur, de wilsovereenstemming, de rechtspersoon, bezit, stichting en testament.
Typerend voor het canoniek recht is, in vergelijking met het Romeins civiel recht, de leer van de restitutio- lees de `Summa Theologiae´ van Thomas Aquinas. Weliswaar is er in de ontwikkeling van het Romeins recht sprake van een plicht tot vergoeding bij schade (aan zaken), echter, heeft vergoeding bij de Romeinen een overwegend poenaal karakter.

Het Decretum Gratiani heeft invloed gehad op de codificatie van het canoniek recht, maar een rechtsgeldig document is het Decretum niet, om de eenvoudige reden dat de vervaardiger, Gratianus, een monnik was en dientengevolge niet de formele macht bezat om een wetboek te publiceren. Tevens niet rechtsgeldig zijn de Clementinae (Clemens V, 1317), de Extravagantes en de Extravagantes communes (Johannes XXII, 1316-1334).
Rechtsgeldige kerkelijke documenten zijn het liber Extra (de Decretalen van Gregorius IX, 1234) en het liber Sextus (Bonifatius VIII, 1298), een aanvulling op het vijf boeken tellende liber Extra.

Gezaghebbend zijn niet-rechtsgeldige werken, zoals het genoemde Decretum en de Clementinae geworden, door de opneming van deze geschriften in het Corpus Iuris Canonici- de eerste systematische ordening der decretalen door paus Innocentius III in 1210. 

Het Corpus Iuris Canonici is gedeeltelijk rechtsgeldig, maar de helft van het werk is geschreven voor educatieve doeleinden. Hier is een vergelijking te trekken met de Instituten van Gaius; aanvankelijk mochten de Instituten niet als rechtsbron benut worden, omdat de verzameling slechts gezien werd als inleiding tot de studie van het recht. Dat neemt niet weg dat dergelijk studiemateriaal uiteindelijk aan de oorsprong stond van de codificatie van het positieve recht.

De Glossa ordinaria op het Corpus Iuris Civilis, afkomstig van Accursius, is in 1260 opgeleverd. De Glossa ordinaria van Accursius is echter niet de eerste systematische verzameling van glossen. De canonisten gingen Accursius voor. In 1230 is de Glossa ordinaria der canonisten vervaardigd (Bologna), inhoudende het glossenapparaat op het Decreet en losse decratelenverzamelingen.




woensdag 11 februari 2015

Aequalitas

Restitutio

`Videtur quod non sit necessarium ad salutem quod fiat restitutio eius quod ablatum est. Quod enim est impossibile non est de necessitate salutis. Sed aliquando impossibile est restituere id quod est ablatum, puta cum aliquis abstulit alicui membrum vel vitam. Ergo non videtur esse de necessitate salutis quod aliquis restituat quod alteri abstulit.

 

Praeterea, committere aliquod peccatum non est de necessitate salutis, quia sic homo esset perplexus. Sed quandoque illud quod aufertur non potest restitui sine peccato, puta cum aliquis alicui famam abstulit verum dicendo. Ergo restituere ablatum non est de necessitate salutis...´

zondag 23 november 2014

Wet aanpassing arbeidsduur (Waa)

Ik wil mijn arbeidstijden laten aanpassen. De werkgever dreigt met ontslag. Wat zijn mijn rechten?

In de regel is ontslag alleen mogelijk als de werkgever geldige ontslaggronden aanvoert. Hij zal aan moeten tonen dat er voldoende (functionerings)gesprekken zijn gehouden. De werkgever is verplicht om de  opzegging van de dienstbetrekking schriftelijk te motiveren. Verzet tegen eventueel ontslag is mogelijk. Neem zeker nooit zelf ontslag. Als er sprake is van wilsontbreken, kan het genomen ontslag worden teruggedraaid na een beslissing van de rechter- behoudens de omstandigheden van het geval.

In de praktijk zal de werkgever in eerste instantie weigeren om de arbeidstijden aan te passen. Voor weigering zijn echter zwaarwegende argumenten nodig. Het is aan de werkgever om aan te tonen dat het wijzigen van de arbeidsduur problematisch is. Veelal zal veiligheid als zwaarwegend (bedrijfs)belang worden aangemerkt- mits er verband is tussen de veiligheid en de functie van de werknemer.

Met de invoering van de Waa- de Wet aanpassing arbeidsduur- heeft de werknemer expliciet het recht gekregen om aanpassing van de arbeidstijden af te dwingen. De wet verbiedt ontslag naar aanleiding van een verzoek om wijziging van de arbeidsduur, zo is te vinden in art. 3 Waa. Enige uitzondering geldt voor bedrijven met minder dan tien werknemers.

De werknemer dient de volgende regels in acht te nemen:
  • Recht op aanpassing van de arbeidsduur ontstaat pas, wanneer de werknemer minstens één jaar in dienst is bij de werkgever;
  • Het verzoek om aanpassing dient minimaal vier maanden voor de gewenste datum van wijziging, schriftelijk te worden ingediend bij de werkgever. In het verzoek wordt precies aangegeven voor hoeveel uren en op welke dagen de wijziging gewenst is;
  • De werkgever dient één maand voor de datum van wijziging te reageren op het verzoek. Reageert de werkgever niet, dan kan de arbeidsduur worden aangepast conform verzoek.

zaterdag 15 november 2014

Bekende arresten en hun essentie





HR 17 januari 1958, NJ 1961, 568:  De werking der relatieve rechten

HR 5 november 1965, NJ 1966, 136:
Gevaarzetting
(annotatie van mr. Scholten)

HR 17 november 1967, NJ 1968, 42:
Misbruik van recht en vertrouwen

HR 22 februari 2002, NJ 2002, 24:                                   
Immateriële schade/ shockschade

HR 17 april 1970, NJ 1971, 89:                                        
Misbruik van bevoegdheid

HR 14 november 1997, NJ 1998, 14:                                    
Gerechtvaardigd vertrouwen

HR 10 april 1981, NJ 1981, 532:
Informatieplicht
(annotatie: mr. van Schilfgaarde)

HR 17 december 1976, NJ 1977/241:                              
Misverstand

HR 22 oktober 2004, NJ 2006, 597:                                
Redelijkheid en billijkheid

HR 13 maart 1981, LJN: AG4158                                 
Aanvullende werking van het recht

HR 21 januari 1966, NJ 1966/183:                                   
Dwaling

HR 19 juni 1959, NJ 1960/59:                                         
Toekomstige omstandigheid
Dwaling voor rekening verkoper

HR 19 april 1967, NJ 1967/261:
Derogerende werking rechtsbeginselen
Toepassing exoneratieclausule