Posts tonen met het label praetor. Alle posts tonen
Posts tonen met het label praetor. Alle posts tonen

zondag 15 maart 2015

Procesvormen in het Romeinse recht (rechtsgeschiedenis)

Welke procesvormen kende Rome in de oudheid?
Allereerst: in het klassieke Romeinse recht ligt de nadruk op procesrecht, niet op materieel recht. Het moge duidelijk zijn dat het Romeinse recht voornamelijk civiel procesrecht omvatte (criminaliter ageren kon in een civiel proces).

1. Legis actio:
Een op riten gerichte procesvorm, met een religieus karakter. Twee fasen: rechtsingang werd verleend door de magistraat, daarna kwam de zaak voor een rechter. Net als in het latere formula-proces, kwam de tenuitvoerlegging aan de orde in een nieuw proces;
2. Formula:
Gedurende circa vier eeuwen de gangbare procesvorm, van kracht sinds de Lex Aebutia. Eveneens een proces in twee fasen; de praetor besliste over de rechtsingang, een lekenrechter had een accusatoire rol.
Het uiteindelijke oordeel was aan de praetor, op basis van zijn imperium als magistraat zijnde.  Probeer het formula-proces eens met het huidige procesrecht te vergelijken. Het valt direct op dat het Romeinse recht niet zozeer gericht was op het vervullen van de materiële voorwaarden: de lekenrechter oordeelde immers slechts of de voorwaarden uit de formula waren vervuld. De eiser stelde de voorwaardelijke formulae; gedaagde stelde negatief geformuleerde exceptiones.

Te verschaffen rechtsmiddelen en verweermiddelen- exceptiones- waren te vinden in het edict van de praetor. Partijen zochten consensus over het geschil en de aan te stellen lekenrechter. Afspraken tussen procespartijen werden op schrift gesteld (schriftelijke fase is hier een verschil met de legis actio!) in de litis contestatio.  De Romeinen kenden gedurende het formula-proces een gesloten stelsel van formulae.

Zoals eerder opgemerkt, is het Romeinse recht casuïstisch van aard. De actio legis Aquiliae omschrijft nauwkeurig situaties en hun mogelijke sancties.
- De actio legis Aquiliae utilis maakt het mogelijk om de originele actio naar analogie uit te leggen. Eén der elementen van een formula kan worden vervangen door de praetor, om zo een actie te kunnen verschaffen aan p.p . De aanpassing berust op de decretale actie- deze actie impliceert het afwijken van het edict;
-  Een geheel nieuwe formula, een op de feiten toegesneden actie, was de actio in factum, geïnspireerd door de oorspronkelijke actio legis Aquiliae. Hier komen de bevoegdheden van de magistraat naar voren: de praetor kan bestaande regelgeving toepassen, ondersteunen of aanpassen. Dit zou veranderen met de introductie van het edictum perpetuum;
- De denegatio actionis was de afwijzing van de zaak door de praetor. Verschaffing van de rechtsingang hield hiermee zonder meer op.

3. Cognitio extraordinaria:
Heeft de meeste overeenkomsten met het huidige procesrecht. Een van overheidswege (door de keizer) aangestelde ambtenaar oordeelt als rechter in een proces dat één fase inneemt. De kanselarij bediende zich, gedurende de bureaucratische autocratie ná keizer Augustus, van de macht om rescripta uit te vaardigen. Een rescriptum kon aan de rechter worden opgelegd (zie de parallel met de macht van het hedendaagse prejudiciële advies!). De macht van de rechter om zelf te beslissen was dus beperkt, maar de rechter kreeg tijdens de periode van de cognitio wél een inquisitoire rol toebediend.

Wat zijn de overeenkomsten en verschillen?
- Het legis actio-proces en het formula-proces kenden twee fasen, een voor de praetor, de tweede voor een (leken)rechter. Tenuitvoerlegging vereiste in beide gevallen een nieuw proces;
- In het formula-proces werd hoger beroep pas na enige eeuwen mogelijk en wel bij een keizerlijk ambtenaar. In het cognitio-proces was hoger beroep ook mogelijk, eveneens bij een keizerlijk ambtenaar. Dit heeft te maken met de periode waarin beide processen elkaar overlapten;
- Ten tijde van het formula-proces was executie van een vermogensbestanddeel niet mogelijk. Het cognitio-proces zag wel op de executie van één bestanddeel van het vermogen, van de partij die het proces verloren had.







zaterdag 14 maart 2015

Romeinsrechtelijke geschiedenis, I

Rechtshistorie
Een belangrijke bron die de geschiedenis van het Romeinse recht uit de klassieke tijd omschrijft, is Enchiridion, een boek afkomstig van Pomponius, 150 n.C. Het boek werd al in de oudheid als een klassieker beschouwd. Om de eenvoudige en heldere chronologie van de inleiding tot de Romeinsrechtelijke geschiedenis te volgen:

Koningstijd
- De Koningstijd begon in 753 v.C. en eindigde in 510 v.C. De rex stond aan het hoofd van de stad Rome. Hij werd gekozen door een vergadering van het gehele volk; de zogeheten comicia. Erfelijke troonopvolging was geen gebruik. Het spreekt voor zich dat de comicia enkel uit vrije- welgestelde- burgers bestond;
- Aan de rex kwam wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht toe, het soevereine gezag: imperium;
- De rex kon uit hoofde van zijn imperium eenzijdig verbindende edicta uitvaardigen;
- Tot een lex werd door de comicia op voorstel van de rex besloten. Tussen geschreven en ongeschreven recht werd in de vroegklassieke periode geen onderscheid gemaakt. Immers, wat formeel was besloten en in de comicia door het volk werd aangenomen, had zonder meer gelding;
- Zonder de tussenkomst van een soeverein bestond er ook recht. Het in de samenleving heersende recht werd aangeduid als ius. Later zou het ius als juristenrecht worden getypeerd. Het ius laat zich in het heden het best omschrijven als het `allesomvattende´ recht, waar de formele wet, lex, onderdeel van uitmaakt;
- Een lex kon langdurig worden verankerd in het recht, in tegenstelling tot het edict. De edicta van de koning waren slechts van toepassing zolang de ambtstermijn strekte;
- De senatus had slechts een adviserende taak.

Republiek
- De koningstijd eindigde met de verdrijving van Superbus uit Rome;
- In 510 v.C. werd de gekozen koning vervangen door twee consuls met een ambtstermijn van één jaar;
- De plebejers kwamen daarmee onder de senaat te staan;
- Aan de plebejers was reeds in de vijfde eeuw v.C. het vetorecht toegekend, te gebruiken bij alle besluiten van het patriciaat. Echter, ging het hier in enge zin om besluiten die slechts voor de plebejers als verbindend golden;
- De plebs organiseerden een eigen staatsvorm met aan het hoofd de tribuni plebis;
- In 286 v.C. zou de lex Hortensia algemeen verbindende werking toekennen aan de plebiscita- de door het consilium plebis uitgevaardigde besluiten, die vanaf dan gelijk werden gesteld aan de lex.