woensdag 25 februari 2015

Canoniek recht

Voor de recente versie van de Codex Iuris Canonici (voor het eerst gepubliceerd in 1918, update uit 1983), zie:

Codex Iuris Canonici

Zoals u ziet, omschrijft Boek VI de sancties die kunnen worden opgelegd door de kerkelijke rechtbank. Vergelijk zowel de rechtsbron als de competentie van de kerkelijke rechtbank van het heden, met de Inquisitie uit de middeleeuwen en vroegmoderne tijd.

De canones zijn voornamelijk van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van de privaatrechtelijke rechtsfiguren koop, stipulatie, huur, de wilsovereenstemming, de rechtspersoon, bezit, stichting en testament.
Typerend voor het canoniek recht is, in vergelijking met het Romeins civiel recht, de leer van de restitutio- lees de `Summa Theologiae´ van Thomas Aquinas. Weliswaar is er in de ontwikkeling van het Romeins recht sprake van een plicht tot vergoeding bij schade (aan zaken), echter, heeft vergoeding bij de Romeinen een overwegend poenaal karakter.

Het Decretum Gratiani heeft invloed gehad op de codificatie van het canoniek recht, maar een rechtsgeldig document is het Decretum niet, om de eenvoudige reden dat de vervaardiger, Gratianus, een monnik was en dientengevolge niet de formele macht bezat om een wetboek te publiceren. Tevens niet rechtsgeldig zijn de Clementinae (Clemens V, 1317), de Extravagantes en de Extravagantes communes (Johannes XXII, 1316-1334).
Rechtsgeldige kerkelijke documenten zijn het liber Extra (de Decretalen van Gregorius IX, 1234) en het liber Sextus (Bonifatius VIII, 1298), een aanvulling op het vijf boeken tellende liber Extra.

Gezaghebbend zijn niet-rechtsgeldige werken, zoals het genoemde Decretum en de Clementinae geworden, door de opneming van deze geschriften in het Corpus Iuris Canonici- de eerste systematische ordening der decretalen door paus Innocentius III in 1210. 

Het Corpus Iuris Canonici is gedeeltelijk rechtsgeldig, maar de helft van het werk is geschreven voor educatieve doeleinden. Hier is een vergelijking te trekken met de Instituten van Gaius; aanvankelijk mochten de Instituten niet als rechtsbron benut worden, omdat de verzameling slechts gezien werd als inleiding tot de studie van het recht. Dat neemt niet weg dat dergelijk studiemateriaal uiteindelijk aan de oorsprong stond van de codificatie van het positieve recht.

De Glossa ordinaria op het Corpus Iuris Civilis, afkomstig van Accursius, is in 1260 opgeleverd. De Glossa ordinaria van Accursius is echter niet de eerste systematische verzameling van glossen. De canonisten gingen Accursius voor. In 1230 is de Glossa ordinaria der canonisten vervaardigd (Bologna), inhoudende het glossenapparaat op het Decreet en losse decratelenverzamelingen.




woensdag 11 februari 2015

Aequalitas

Restitutio

`Videtur quod non sit necessarium ad salutem quod fiat restitutio eius quod ablatum est. Quod enim est impossibile non est de necessitate salutis. Sed aliquando impossibile est restituere id quod est ablatum, puta cum aliquis abstulit alicui membrum vel vitam. Ergo non videtur esse de necessitate salutis quod aliquis restituat quod alteri abstulit.

 

Praeterea, committere aliquod peccatum non est de necessitate salutis, quia sic homo esset perplexus. Sed quandoque illud quod aufertur non potest restitui sine peccato, puta cum aliquis alicui famam abstulit verum dicendo. Ergo restituere ablatum non est de necessitate salutis...´

zondag 23 november 2014

Wet aanpassing arbeidsduur (Waa)

Ik wil mijn arbeidstijden laten aanpassen. De werkgever dreigt met ontslag. Wat zijn mijn rechten?

In de regel is ontslag alleen mogelijk als de werkgever geldige ontslaggronden aanvoert. Hij zal aan moeten tonen dat er voldoende (functionerings)gesprekken zijn gehouden. De werkgever is verplicht om de  opzegging van de dienstbetrekking schriftelijk te motiveren. Verzet tegen eventueel ontslag is mogelijk. Neem zeker nooit zelf ontslag. Als er sprake is van wilsontbreken, kan het genomen ontslag worden teruggedraaid na een beslissing van de rechter- behoudens de omstandigheden van het geval.

In de praktijk zal de werkgever in eerste instantie weigeren om de arbeidstijden aan te passen. Voor weigering zijn echter zwaarwegende argumenten nodig. Het is aan de werkgever om aan te tonen dat het wijzigen van de arbeidsduur problematisch is. Veelal zal veiligheid als zwaarwegend (bedrijfs)belang worden aangemerkt- mits er verband is tussen de veiligheid en de functie van de werknemer.

Met de invoering van de Waa- de Wet aanpassing arbeidsduur- heeft de werknemer expliciet het recht gekregen om aanpassing van de arbeidstijden af te dwingen. De wet verbiedt ontslag naar aanleiding van een verzoek om wijziging van de arbeidsduur, zo is te vinden in art. 3 Waa. Enige uitzondering geldt voor bedrijven met minder dan tien werknemers.

De werknemer dient de volgende regels in acht te nemen:
  • Recht op aanpassing van de arbeidsduur ontstaat pas, wanneer de werknemer minstens één jaar in dienst is bij de werkgever;
  • Het verzoek om aanpassing dient minimaal vier maanden voor de gewenste datum van wijziging, schriftelijk te worden ingediend bij de werkgever. In het verzoek wordt precies aangegeven voor hoeveel uren en op welke dagen de wijziging gewenst is;
  • De werkgever dient één maand voor de datum van wijziging te reageren op het verzoek. Reageert de werkgever niet, dan kan de arbeidsduur worden aangepast conform verzoek.

zaterdag 15 november 2014

Bekende arresten en hun essentie





HR 17 januari 1958, NJ 1961, 568:  De werking der relatieve rechten

HR 5 november 1965, NJ 1966, 136:
Gevaarzetting
(annotatie van mr. Scholten)

HR 17 november 1967, NJ 1968, 42:
Misbruik van recht en vertrouwen

HR 22 februari 2002, NJ 2002, 24:                                   
Immateriële schade/ shockschade

HR 17 april 1970, NJ 1971, 89:                                        
Misbruik van bevoegdheid

HR 14 november 1997, NJ 1998, 14:                                    
Gerechtvaardigd vertrouwen

HR 10 april 1981, NJ 1981, 532:
Informatieplicht
(annotatie: mr. van Schilfgaarde)

HR 17 december 1976, NJ 1977/241:                              
Misverstand

HR 22 oktober 2004, NJ 2006, 597:                                
Redelijkheid en billijkheid

HR 13 maart 1981, LJN: AG4158                                 
Aanvullende werking van het recht

HR 21 januari 1966, NJ 1966/183:                                   
Dwaling

HR 19 juni 1959, NJ 1960/59:                                         
Toekomstige omstandigheid
Dwaling voor rekening verkoper

HR 19 april 1967, NJ 1967/261:
Derogerende werking rechtsbeginselen
Toepassing exoneratieclausule





donderdag 3 oktober 2013

Laster en opzettelijke inbreuk persoonlijke levenssfeer


Wetboek van Strafrecht


Artikel 262


1
Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt, wetende dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is, wordt, als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

2
Ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1° en 2°, vermelde rechten kan worden uitgesproken. 


Artikel 285b


1
Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.

2
Vervolging vindt niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan. 


Bedragen 2013

maandag 1 juli 2013

Persoonlijk commentaar op de sociobiologische benadering

Zoals gezegd, in het verleden had de biologische benadering van criminaliteit een omstreden status. De tijdgeest bepaalde wat wel en niet acceptabel was op het gebied van onderzoek- en het beschouwen van de mens als zijnde `crimineel van geest´. Na de Tweede Wereldoorlog was neurobiologisch onderzoek naar negatieve menselijke eigenschappen beladen. Het was politiek incorrect om het geloof in de vrije wil tegen te spreken en de mens bovendien te selecteren op `criminele´ eigenschappen.

In biologisch onderzoek spreekt men niet zozeer over `crimineel van geest´ zijnde personen. Het zijn altijd agressieve eigenschappen die leiden tot wat wij als crimineel gedrag kunnen typeren. Of een persoon als `slecht´ wordt omschreven, is afhankelijk van de heersende cultuur. Het gaat bij crimineel gedrag altijd om (buitensporige) agressie, tegen andere personen gericht, vaak herhaaldelijk van karakter.  Recidive  signaleert men vaker bij personen met een antisociale stoornis. De antisociale stoornis wordt beschouwd als de officiële diagnose van psychopathie.

Bepaald mate van het geloof in de `tabula rasa´, de mens die wordt geboren als een onbeschreven blad, was sinds de vroege Verlichting de tendens. Grote ophef ontstond zelfs toen beweerd werd dat homoseksualiteit geen resultaat is van de vrije wil. Met terreur werd gepoogd deze opvatting te bestrijden, want men zou er zelf voor kiezen om homoseksueel te worden. Een ware hetze door diverse prominente figuren in de media heeft het neurologisch onderzoek doen stagneren.

In de maatschappelijke context van de naoorlogse jaren valt het verwerpen van de sociobiologische benadering te verklaren, maar onbegrijpelijk blijft de weerstand tegen biologische argumenten. Natuurlijk is de mens geen resultaat van de eigen vrije wil!
Is dat wel het geval, wie zegt er dan: `Kom, laat ik eens gezellig psychopaat/ zedendelinquent/ pedofiel/ roofmoordenaar worden´?  Omgekeerd zou het wel erg gemakkelijk zijn: een psychopaat in wording die, met hulp van de vrije wil, toch afziet van zijn stoornis. Dan zou de wereld ook in één klap verlost kunnen zijn van hardnekkige problemen.

Voordelen
De sociobiologische benadering kent voordelen. Gaat men uit van de vrije wil, dan ontstaan er verkeerde aannames. Het negatieve gevolg bestaat dat gevaarlijke criminelen `slechts´ gestraft worden en vervolgens op straat belanden. Ook onbeperkt en irrealistisch geloof in het veranderen/ behandelen van een mens, betekent dat zedendelinquenten, psychopathische moordenaars en andere forensisch gedetineerden, de kans krijgen om terug te keren in de samenleving.

Voor de strafmaat is het van belang om te weten of (de aard van) een delict te wijten is aan een stoornis, of andere eigenschappen die in het brein besloten liggen. Het is zeker niet de bedoeling om de wetenschap aan te grijpen om een delinquent vrij te pleiten. Integendeel: het uitsluiten van verwijtbaarheid zou juist een middel moeten zijn om de forensisch gedetineerde langdurig/ permanent uit de maatschappij te houden. Als een delinquent immers niet in staat is om zijn gevaarlijke gedrag bij te sturen, dan kan de veiligheid van de maatschappij niet worden gegarandeerd.

Eigen mening over criminaliteit en straf(maatregelen)
Mijn mening over de psychopathische delinquent is wellicht niet politiek correct. Ik vind het zeer onwenselijk dat forensisch gedetineerden kans maken op terugkeer in de samenleving. Ik geloof absoluut niet in de maakbaarheid en het `omvormen´ van de mens. Er is niet zoiets als herstel mogelijk bij delinquenten met een ontwikkelingsstoornis, aangezien een dergelijke stoornis vaak levenslang gedragen wordt.
Ook ben ik niet van mening dat iedereen nog een kans verdient, des te minder een tweede of derde kans.

Ik hecht waarde aan begrippen als `verwijtbaarheid´, `aangeboren factoren´ en het opleggen van een `maatregel´. Evenwel vind ik dat vergelding in het strafrecht te allen tijde moet blijven bestaan. Waar de behandeling puur gericht is op de dader, moet ook recht gedaan worden aan het slachtoffer. Dat een crimineel wellicht biologisch gezien geen verantwoording kan nemen voor zijn daden, mag niet betekenen dat misdaden onbestraft blijven. Een gebrek aan verwijtbaarheid is dan ook zeker geen acceptabel argument om een dader te laten lopen.


http://www.youblisher.com/p/803933-Onderzoek-naar-t-brein-van-de-crimineel/